Hoe kom je erbij?


M. en ik stappen vrolijk de bus in. Naast ons zit een knappe jongen. Hij kijkt ons aan, en zoals gewoonlijk werp ik hem mijn liefste glimlach toe. Ons busritje bestaat uit bijpraten. We hebben allebei een herexamen, en we bespreken wat we gaan doen als we slagen, of niet slagen. Ondertussen schenk ik de knappe jongen nog een glimlach wanneer we dus bus uitlopen.
Onderweg van de bushalte naar het centrum zwaai ik vrolijk naar de jongen tegen wie ik vorige week opbotste toen ik met haast de trein uitsprong. We lopen de H&M in om eens flink inkopen te doen. Wanneer we eindelijk klaar zijn met uitzoeken en passen, lopen we naar de kassa. Er staat schattige jongen achter de kassa. En ja, dan ben je natuurlijk gewoon vriendelijk terug.
Daarna lopen we verder de stad in. Onderweg komen we langs de Chasin’, en natuurlijk moet ik wel even zwaaien naar Bling Bling Jack, die zat immers laatst ook in de bus.
We lopen even snel langs, en gaan dan verder met onze shoptocht. Een ietwat aangeschoten man, zo lijkt het tenminste, komt langsfietsen. ‘ Wauw, jij bent mooi!’ roept hij als hij me aankijkt. Dan kijkt hij M. aan: ‘En jij ook!!’ Ik kijk hem even aan, en wanneer hij doorfietst mompel ik iets van: ‘Ja, is goed jongen!’
We lopen nog even door, en besluiten moe maar voldaan met onze aankopen een broodje te halen. Ik vraag me wel eens af of daar ook nog een theorie over bestaat: ‘Je bent welk Bakker Bart Broodje je eet!’ ofzo.
Goed, zo zitten we op een bankje op het midden van een plein. Ondertussen komen er natuurlijk veel mensen langslopen. Op iedereen hebben we commentaar, zowel positief als negatief, maar niet hoorbaar.
Natuurlijk lopen er ook een boel knappe en/of goedgeklede jongens langs. En twee meisjes die een broodje zitten te eten, want overigens erg amusant moet zijn, vooral, als je mij een broodje ziet eten, trekken natuurlijk wel aandacht. En geef toe, het blijft een sport om naar zoveel mogelijk jongens te glimlachen, en een grotere sport er een terug te krijgen.
Als we uiteindelijk ons broodje op hebben en uit geglimlacht zijn, gaan we op weg naar de bus. Een auto voor het stoplicht begint te toeteren. Ik begin vrolijk te zwaaien, en roep een ‘ Joehoe!’. De dag van die jongens kan niet meer stuk.
En dan zijn we daar eindelijk bij de bushalte.
‘Hee Ingelise…’
‘Ja?’
‘Jij bent echt een flirt.’
‘Echt niet.’