Van Utrecht naar Parijs (4)


Klik hier voor de andere delen.

De toiletten bevonden zich in een rustig en vooral koud gedeelte van het restaurant. Jorik sloeg rechtsaf naar de toilet, Ingelise links. “Amai, ik heb een probleem.” Zei een vrouw in de damestoiletten. Met een schaar in haar handen stond ze voor de spiegel. Ze droeg hoge hakken en een kniebroek. “Oh nee. Moet ik u even helpen?” vroeg Ingelise. Totdat ze zich bedacht dat ‘u’ voor Belgen hetzelfde is als ‘je’ voor Nederlanders. “Nee, het lukt wel.” antwoordde de vrouw. Ze was ondanks haar hakken niet zo groot. “Ik knip mijn extensions eruit. Vanochtend is mijn haar geverfd, maar het pakte niet op de extensions. Kijk maar.” Ze liet de extensions zien. Die hadden inderdaad een panterprint erop. De vrouw ging verder me knippen, terwijl Ingelise naar het toilet ging. “Shit.” mompelde ze binnensmonds. Had ze nou maar gevraagd waar de vrouw naar op weg was. Ze trok door en deed de deur open. De vrouw stond er nog steeds. Ingelise waste haar handen. “Mag ik u iets geks vragen?” zei ze terwijl ze zeep pakte. “Maar natuurlijk.” antwoordde de vrouw. “Misschien wat onbeleefd, maar waar gaat u heen?” De vrouw ging verder met haar make up. “Naar mijn werk, in Brussel.” Ingelise keek glunderend opzij. “Ik ben met een vriend aan het liften, zouden wij misschien een stuk mee mogen rijden?” De vrouw pakte haar foundation. “Amai, natuurlijk!” Ingelise bedankte de vrouw en liep naar de deur om Jorik het goede nieuws te vertellen. De vrouw ging verder met zich opmaken en niet veel later nam ze het duo mee naar haar auto. Er stond een Fiat 500 en een kleine stads-BMW. De vrouw liep naar de BMW. Jorik stapte achterin, terwijl Ingelise naast de vrouw ging zitten. De vrouw bewoog gestrest, en reed eveneens zo. De BMW reed de snelweg op. “Mag ik vragen wat voor werk u doet?” vroeg Ingelise. “Maar natuurlijk.” antwoordde de vrouw. “Ik werk in het parlement. Voor Filip Winter.” Ze zuchtte. “Ik doe het nu zes jaar. Maar echt. Ik vertrek om half zes in de ochtend, en blijf tot zeven uur aan mijn bureau. Tja, anders doe je het voor niks. Het is heel intensief. Je hebt ook geen privé-leven enzo. Waar zal ik jullie afzetten?” Jorik keek ondertussen op de kaart, op zoek naar een goede plek om verder te liften. Brussel centrum leek een mooie plek om te bekijken, maar ze zouden er ongetwijfeld niet meer wegkomen. “Ik kan jullie bij Vilvoorde neerzetten.” De kilometerteller van de auto bereikte ondertussen de 160, terwijl de vrouw speculeerde waar ze het duo neer kon zetten. Ze keek vooruit, greep Ingelise’s arm vast en remde hard. Een gil ontsnapte terwijl de auto bijna tegen een zwarte Mercedes opreed. “Oh, sorry! Dat doe ik ook altijd bij mijn dochter als ze naast me zit. Wacht, ik bel mijn man waar ik jullie kan afzetten.” Ze belde haar man, die vertelde dat we het beste bij Melsbroek eruit konden. Hij vroeg hoe het met haar extensions ging. De vrouw vertelde over haar bijna horror kapperervaring. Ze besteedde, zo vertelde ze na het gesprek, veertigduizend frank aan haar kapsel per maand. Dat was dus duizend euro per maand.

De afslag Melsbroek kwam in zicht. De weg lag open. “Nee, ik weet niet welke kant ik op moet.” De vrouw werd gebeld. Wanneer ze op haar werk kwam. Jorik en Ingelise hielden zich stil. “Ik moet echt zo op mijn werk zijn.” zei de vrouw na wat gedraai. “Hier kunnen jullie eruit.” Jorik en Ingelise bedankten de vrouw en stapten uit. Midden op een drukke weg, tussen de wegwerkzaamheden. “Welke kant gaan we op?” vroeg Jorik. Links leek alleen industrieterrein. Evenals rechts, maar daar kwamen de meeste auto’s vandaan, dus dat leek ze het beste plan. De twee begonnen te lopen, deden verwoedde pogingen een lift naar Lille te krijgen maar tevergeefs. Even leken ze te stranden in Machelen. Ze besloten nog verder te lopen, in de hoop een plek te vinden waar auto’s konden stoppen. De wandeltocht eindigde bij een rotonde. Op een plek waar alle auto’s in de richting van Lille gingen, hielden de twee een bordje op. “Daar is een inham.” merkte Ingelise op. “Laten we daar gaan staan.” Er zat niets anders op, en de twee gingen er staan. Sneller dan gepland verstreken de minuten. Geen auto stopte. Niet wetende of ze auto’s in het Frans of Nederlands aan moesten spreken stonden de twee ietwat hopeloos aan de kant van de weg. Het was een treurig gezicht hoe alle auto’s voorbij reden. Ze keken verontschuldigend, negeerden de lifters of lachten ze uit. Tot de redding nabij leek. Een grote auto remde, en de hand aan het stuur beviel de twee naar de inham te lopen. Met een zucht van verlichting liepen Jorik en Ingelise naar de auto, in de hoop dat de taalbarrière hen niet in de weg zou staan.

Advertenties