Van Utrecht naar Parijs (6)


Klik hier voor de andere delen.

Op de oprit, of afrit, maar net hoe je het bekijkt blijven staan had geen zin. Auto’s zouden geen plek hebben om te stoppen, en de kans op een lift was daar miniem. Jorik en Ingelise besloten terug te lopen naar het parkeerplaatsje waar ze waren afgezet. Wat er zich in het gebouw achter het parkeerplaatsje bevond, was niet geheel duidelijk. Het kon een hospice zijn, maar net zo goed een verzameling van kleine bedrijfjes, die door de eigenaren verkocht zouden worden als ze tweeëndertig waren, zodat ze binnen waren, BMW’s konden rijden en op vakantie konden wanneer ze wilden. “We moeten even een nieuw bordje maken.” bedacht Jorik. “Ja. En een eierkoek eten. En een krentenbol, want ik heb honger.” Ingelise graaide het eten uit haar tas. “Wat zetten we op het bordje?” mompelde ze met volle mond. Jorik dacht even na. “Bergen? Of zetten we er dan Mons op?” Dat maakte voor de plek waar ze heen moesten natuurlijk geen enkel verschil, maar voor de taalbarrière was het wel degelijk van belang.

Het werd Mons. Met het bordje in de handen stonden de twee weer enigszins optimistisch verder te liften. BMW’s, Mercedessen, Audi’s en ander rijk volk bleef langs toeren. De gemiddelde bewoner van Waterloo was rijk, aan de auto’s te zien, waarschijnlijk op hun tweeëndertigste al binnen en wat ouder dan Jorik en Ingelise’s ouders, en wat jonger dan hun grootouders. Oerdegelijk leek voor deze mensen ook wel van toepassing. Avontuur zat er niet meer in, dus twee lifters oppikken al helemaal niet, hoe degelijk ze er ook uitzagen. “Ik wist dat ik mijn rode cowboylaarsjes had moeten aantrekken in plaats van mijn blauwe.” peinsde Ingelise in zichzelf. Het mocht niet baten, want het liften bleek moeizaam te gaan in Waterloo. Het duo liep een stukje door, naar een tankstation. “Ik heb zin in alcohol, sigaretten, een joint, frituur of andere stimulerende middelen.” Ingelise was er klaar meer. “Komt omdat je frituur ruikt.” zei Jorik. “Nee hoor.” ging Ingelise er eigenwijs op in. “Ik had in de auto ook al zin in patat. Maar nu ruik ik frituur, dus heb ik er extra veel zin in. Kom, we gaan tussen die twee tankstations staan.” Ingelise, de koekiemonster van het frituureten wilde de frituurlucht voorbij. Een goede zet, want toen Ingelise nonchalant haar haren uit haar gezicht schudde, de wind was inmiddels flink komen opzetten en Jorik met het bordje stond, stopte er een auto. “Jij mag het woord doen, want jij spreekt Frans.” Jorik duwde Ingelise naar voren. In haar beste Frans, voor het gemak maar even meteen vertaald naar het Nederlands, vroeg Ingelise of de beste man naar Mons ging en hen af kon zetten bij een tankstation. Dat wilde hij wel, en de twee stapten in. “Ga jij maar voorin, jij spreekt Frans.” Jorik was nog steeds overtuigd van het feit dat Ingelise een degelijk gesprek kon voeren met een fransman. Dat was deels haar eigen schuld, want al weken riep ze dat ze naar Parijs wilde liften om haar Frans te oefenen. Daarom waren Jorik en zij zo’n goed duo. Jorik sprak Duits, Ingelise Frans. Verder zouden ze niet gaan liften binnen een dag, en mochten ze naar Kopenhagen gaan dan spraken de Denen genoeg Engels om zich mee voort te bewegen.

Het was verdacht stil in de auto. Over en weer gingen wat vragen die Ingelise twee jaar geleden bij Frans had geleerd. Met die vragen had ze haar examen gehaald, dus ze kon prima uitleggen waar ze woonden. En met een duim omhoog werd het de man duidelijk dat ze aan het liften waren ‘avec ses amies’. Ze reden een grote stad met een verzameling mooie gebouwen voorbij. “Dat is Mons.” wees de man aan. “Ah.” was het enige dat Ingelise kon antwoorden. De Fransman reed een parking op. Vanaf daar zouden ze verder kunnen volgens de man. De lifters stapten uit en bedankten de man met ‘merci beaucoup’ en zeiden ‘au revoir’. Ze keken een ietwat verlaten parking rond. Eerst moesten ze hier weg.

Advertenties