Van Utrecht naar Parijs (9)


Klik hier voor de andere delen.

Een echt gesprek wilde er niet van komen in de auto. De vermoeidheid overheerste, en het Frans van Ingelise werd per woord slechter. De auto karde met volle vaart over de snelweg. Een BMW is gedoemd te hard te rijden, dát was na deze reis wel duidelijk geworden. Dat deerde niet, hoe eerder de twee in Parijs waren, hoe beter. Ingelise had niet veel eerder een SMSje gehad van Christel, die met Bernd een duo vormde waar niemand vertrouwen in had, dat ze er bijna waren. Dat was rond een uur of vier, en inmiddels gaf de klok bijna vijf uur aan. De BMW-bestuurder klikte zijn knipperlicht aan. Op het gestreepte stukje van de afrit stopte hij, en bonjourde Jorik en Ingelise zonder pardon de auto uit. Hij mompelde iets in de trant van “Parijs is rechtdoor, en ik moet rechts.” Plompverloren stonden de twee tegen de vangrail aangedrukt. “Oké, we gaan eerst veilig in de berm staan.” Ingelise keek minstens zeven keer van links naar rechts en nog een keer, en rende toen naar de overzijde van de afrit. Ze klom de vangrail over, en Jorik volgde. “Goed. En nu?” vroeg Jorik. “Ik houd het bordje omhoog. Niet dat er iemand stopt, maar toch.” zei Ingelise. Ondertussen probeerde Jorik te lokaliseren waar ze waren, maar dat was geen doen. “Jorik, wat gaan we doen?” vroeg Ingelise wanhopig. “Ik weet niet…” antwoordde Jorik. “Maar dit gaat niet werken.” Ze keken achterom en speculeerden wat zich achter de berm bevond. “Ga jij kijken? Dan blijf ik liften. De kans is groter dat ze een eenzaam meisje oppikken dan een eenzame jongen.” opperde Ingelise. Jorik liep naar de bomen waarachter zich iets zou bevinden dat ze misschien zou redden. In het ergste geval zou de reis eindigen in een voettocht naar Parijs. Maar hoe ver was Parijs nog? Ze hadden geen idee waar ze zich bevonden, en ondanks de weinige snelwegen richting Parijs was de kans groot dat ze dankzij een afrit alsnog fout liepen en ergens bij zee terecht zouden komen. Terwijl Jorik de omgeving verkende, stond Ingelise automobilisten aan te kijken. “Jongens! Kijk! Ik ben wanhopig, ik wil hier weg!” schreeuwde ze tegen het geraas van de motoren in de auto’s die stuk voor stuk langs raasden, zonder het blonde meisje op te merken. “Hallo! Zie ik er niet uit alsof ik hier niet hoor? Jongens, ik woon hier niet, hoor!” Ingelise schreeuwde nog wat tegen de automobilisten die er niets om leken te geven, terwijl Jorik terug kwam. “Het is heel steil daar beneden. Maar we komen er wel af. En dan zien we wel wat er achter ligt.” Ze besloten dat het de enige optie was. Als ze hier zouden blijven staan zouden ze misschien pas opgepikt worden in het donker. Dat leek ze geen handig plan. De twee begaven zich richting de bomen.

Het stuk van de berm naar beneden was inderdaad steil, maar ook de enige optie. Zich vasthoudend aan takjes, meer om de balans te bewaren dan steun te krijgen, begaf het duo zich naar beneden. Tussen al het afval door, van rottende etenswaren tot sokken en schoenen, kwam er een eind aan het heuveltje. Beneden stond een hek. Of iets dat moest doorgaan voor hek. Het was meer een stuk onstabiel kippengaas dat de grens tussen de tuin en de berm moest aangeven. Niet dat er normaal gesproken iemand via de snelweg naar de tuin kwam, maar voor het idee was het ongetwijfeld fijn. “Gaan we links of rechts?” Rechts bevonden zich alleen maar nog meer achtertuinen. “We kunnen niet links, dus we moeten wel rechts.” antwoordde Jorik. “Ga maar voor.” Dapper stapte Ingelise door het net niet beboste gebied tussen het gaas en de helling, blij dat ze enigszins comfortabele schoenen had aangetrokken. Hoe lang ze stapten wisten ze niet, maar er kwam een einde aan het kippengaas. “Goed.” Ingelise keek naar een wit huisje. “We staan in een achtertuin.”

Advertenties