Van Utrecht naar Parijs (10)


Klik hier voor de andere delen.

Al met al zag het er heel idyllisch uit. Een glijbaan, een schommel en een ontzettend groot grasveld. Het huisje maakte het laatje compleet. “We kunnen kijken wat er boven is, misschien is de afrit al afgelopen.” De twee klommen weer naar boven, en kwamen erachter dat de afrit nog minstens honderd meter verder liep en ze aan de andere kant van de snelweg zou brengen. Met inmiddels minder moeite klommen ze weer naar beneden. “Wat doen we?” vroeg Ingelise. “Doorlopen naar de volgende tuin? Er moet toch een keer een einde komen aan deze straat.” Rechts bevonden zich nog minstens vier andere huizen met een grote achtertuin. “Of we lopen door de achtertuin, in de hoop dat niemand ons ziet.” Jorik zweeg. “Deze mensen hebben ons sowieso al gezien.” Ingelise schrok. “Wat?! Straks komen ze op ons af met een jachtgeweer!” Jorik stelde Ingelise gerust, en de twee keken moedeloos naar het huisje. “Oké, we lopen door de tuin, en als ze vragen wat we hier doen, zeggen we dat we verdwaald zijn.” Het leek Ingelise de enige oplossing. “Jij weet hoe je dat in het Frans zegt?” Jorik keek Ingelise van opzij aan. “Je suis perdu.” zei ze triomfantelijk. Het was al te laat. Een vrouw met een rood vest en een bril deed de deur open. “O-oh.” Ingelise werd bang. “Jij mag het woord doen.” vond Jorik. Erger dan dit kon het niet, dus in gebrekkig Frans probeerde Ingelise uit te leggen dat ze verdwaald waren. Of eigenlijk midden op de snelweg waren neergezet om het maar uit te zoeken. Het wilde niet vlotten, dus ze besloten de vrouw te vragen of ze Engels sprak. Dat sprak ze ook niet, maar haar zoontje wel. Een jongetje van een jaar of twaalf kwam naar buiten, en kon de vrouw soort van uitleggen hoe het zat. De vrouw beviel de lifters haar zoontje te volgen, die zou ze naar de straat brengen. Het drietal liep naar het linkerhekje. Het jongetje priegelde wat aan het hekje, en kwam tot de conclusie dat het op slot zat. Hij vroeg zijn moeder, die zocht de sleutel en liet ze door het rechterhekje. Ergens had Ingelise gehoopt dat de Fransen net zo gastvrij zouden zijn als de Denen, ze hadden immers dezelfde soort huisjes en tuinen, en dat ze een enorme maaltijd zouden krijgen. Haar maag rommelde. Maar het mocht niet baten. Het jongetje probeerde uit te leggen hoe ze bij de weg moesten komen. Bij de straat aangekomen stond er een colonne hippe, Franse jeugd. Ze moesten maximaal een jaar of zestien zijn geweest. De bewoonster van het huis wenkte twee jongens en twee meisjes. “Jullie spreken Engels, hè?” de jongeren knikten wat, erg overtuigend was het niet. Ze legde de situatie uit. “OK, follow me!” zei een meisje met donkerblond, lang haar. Het leek wederom de enige optie, dus het liftende tweetal volgde de vier scholieren.

Hoe lang de voettocht zou duren wisten ze niet en de weg was eveneens een grote vraag. “Kijk, daar is de snelweg!” Ingelise wees naar boven. De vier jongeren waren niet heel welbespraakt in het Engels, en ook wat afwachtend. Eén van de jongens probeerde met zijn beste Engels uit te vogelen hoe ze hier terecht waren gekomen, en waar ze vandaan kwamen. Jorik legde het uit, en hij was onder de indruk. Hij vertelde het de andere drie, die ook onder de indruk waren. Erg avontuurlijk zijn de Fransen blijkbaar niet. Er kwamen nog drie Fransen aan. Twee ietwat ordinair uitziende meisjes, en een jongen op een BMX-fietsje. Ieder kreeg de traditionele twee zoenen, en daarna werd natuurlijk het verhaal van de twee vreemdelingen uitgelegd. Ingelise was nog steeds in de veronderstelling dat ze in een klein dorp waren, en dat ze daarom zo opvielen. Ze liepen door een mooi park, richting een drukke weg. “Daar is de tram.” legden de meisjes uit. Ze hielpen met het kopen van een metrokaartje. De jongen met de bril stapte in met de lifters in. Hij vertelde ze waar ze eruit moesten. “Lille Europe. Daar is de snelweg vlakbij.” Ze probeerden nog wat te converseren, maar het enige wat de jongen duidelijk kon maken was dat hij net een dag geschorst was en vandaag voorwaardelijk op school was. En toch de beste met Engels. “Ik moet er hier uit. Succes.” De jongen stapte uit, en Jorik en Ingelise zochten een stoeltje. “Ik ben benieuwd.” verzuchtte Ingelise. “Maar we zijn tenminste in Lille.”

Advertenties