Van Utrecht naar Parijs (16)


Klik hier voor de andere delen.

De lucht was inktzwart, op een paar lichtgevende stipjes na. Het tweetal bevond zich in een park. Het park zelf was niet bepaald helder verlicht. In het parkje huppelde een colonne konijntjes. Hoe toepasselijk voor de buurt. “Ik wil een konijntje aaien.” zei Ingelise, terwijl ze op haar tenen naar een konijntje toeliep. Haar eigen konijn was na elf jaar overleden. Gek genoeg vlak voor kerst, en dat kwamen haar ouders koelbloedig melden. Ze moest nog één stap zetten toen het konijntje plots weg hopte. Ze was gesnapt, een konijntje aaien zat er vandaag niet meer in. Alhoewel, het liep tegen enen, dus theoretisch gezien was de dag net begonnen. Jorik en Ingelise liepen naar de rand van het park. Het park bleek temidden van een rotonde te liggen. Een minstens vierbaans rotonde. Met het vermoeden dat dit dan niet de enige uitgang zou zijn, liepen de twee terug het metrostation in. “De muren van de gang zijn roze.” constateerde Ingelise. “Toepasselijk voor de buurt, als we die tramjongen mogen geloven.” Het enige waar Jorik zich nog op focuste was de juiste uitgang en de camping.

Het duo vond de juiste uitgang. Ze stonden op een stoep, aan de rand van de immense rotonde. “Goed, en hoe weten we welke kant we op moeten?” vroeg Ingelise. Jorik dacht even na. “We vragen het aan die meneer.” Hij wees een meneer in een net pak aan. De man leek gehaast. Zijn jas hing los en zijn sjaal was snel omgedaan. Zijn blik stond op oneindig. Hij leek zo snel mogelijk weg te willen uit deze buurt. Snel vroeg Ingelise hem naar camping Bois Du Boulogne, maar dat wist de man niet. “Volgens mij zitten we écht in de rosse buurt van Parijs. De tippelzones. Amsterdam voor gevorderden.” merkte Ingelise op. “Nee joh.” Jorik drukte die gedachte de kop in. “Je hebt je laten opfokken door die jongen in de tram. Een dronken jongen uit Parijs die ons de boom in wilde hebben.” Ingelise bleef twijfelen. Het was net zo’n figuur die in zijn Mercedes, BMW of dure Volvo over het zandpaadje kon rijden. Vier vrienden van het tweetal woonden aan de Utrechtse Vecht, tegenover de woonbootjes die de Utrechtse prostituees zogenaamd legaal huisvest. Het inschatten van klanten had voor uren vertier gezorgd. Tot middernacht. Dan kwamen de écht vieze mannen, en was de Marnixbrug over fietsen ineens een stuk minder leuk. De man die ze zojuist hadden gesproken behoorde tot de categorie ‘Saai-huwelijk-dus-overwerken’. Jorik en Ingelise liepen verder. Stoplicht na stoplicht, op zoek naar iemand die ze kon helpen. Twee politieagenten stonden auto’s te bekeuren. Jorik en Ingelise vroegen zich af of de Parijse agenten niets beters te doen hadden om één uur ’s nachts in de rosse buurt van Parijs. Ze eindigden achter vijf dames met koffers. “We kunnen het hen vragen.” opperde Jorik. “Mwah. Ze hebben koffers. Het zijn dus toeristen. Bovendien bevinden ze zich in een zodanig melige toestand dat ik betwijfel of ze hun eigen hotel wel kunnen vinden.” Jorik moest Ingelise gelijk geven, dus staken ze met de vrouwen over. Het duo vond Parijs nog bizar levendig voor dit tijdstip, tot ze erachter kwamen dat Utrecht om één uur ’s nachts op een donderdagavond levendiger was dan dit. Buiten het feit dat ze in een achterbuurt zaten en Parijs veel groter was. “We moeten iets bedenken.” Ingelise was het met Jorik eens. Nog één stoplicht en ze waren de halve rotonde over gelopen. “Ik weet wat.” zei Ingelise. Ze begon de straat over te steken terwijl het stoplicht op groen sprong. Halverwege de rotonde bevond zich een restaurantje. “We vragen het hem. Hij werkt hier, dus hij woont hier ergens in de buurt.” Ze wees naar een parkeerwacht. Hij moest de weg wel weten.

Advertenties

2 Reacties op “Van Utrecht naar Parijs (16)

Reacties zijn gesloten.