Oud Zuid, supermooi, superduur, supereng.


Het Oud Zuid waarvan ik dacht dat het alleen een fabeltje was, bestaat echt. De Burberry-sjaals, de Gaastra-jassen, de Vespa’s, de zonnebrillen, de gebruinde vrouwen en de mannen met lange haren. Ze bestaan niet alleen op televisie. Ze bestaan écht.

Uiteraard begon het gewoon weer met de afspraak een simpel biertje te drinken op de Eerste Helmersstraat. De straat waar Acda en De Munnik ooit een liedje over schreven. Met dat buurtje is niets mis, ondanks dat wij met begin twintig toch de leeftijd halveerden. Het biertje werd een dansje en het dansje werd een nachtbus. Naar Oud Zuid. Het Oud Zuid zoals ik het me altijd had voorgesteld, maar dacht dat het niet bestond.

De volgende morgen was een zonnige morgen. Ik werd wakker in een mooi pand. De bus was niet ver. Voor mij stapte Valerio in. Ik wachtte nog even op de tram. Naast mij zat een man met een kek sjaaltje om zijn nek. Een vrouw met een grote zonnebril, highlights en een bruine huid die een beetje hulp had gehad keek me arrogant aan. Een Mercedes reed achter me langs terwijl een stelletje te koop liep met hun liefde, en rijkdom. De tram arriveerde, en ik besloot dat de toeristische route door Oud Zuid een goed plan was. Ik staarde naar de grote huizen, de mooie panden en de dure winkels. Jort Kelder kwam één van de winkels uitgelopen. Even overwoog ik uit te stappen en wat aan hem te vertellen. Ware het niet dat ik hem vrijwel niks te vertellen heb. Toch besloot ik uit te stappen, ookal was Jort Kelder al lang uit het zicht verdwenen. Bij wijze van antropologisch project kon ik een mooie wandeling maken door Oud Zuid.

Eigenlijk had ik maar één doel nadat ik besloot uit te stappen. De P.C. Hooftstraat. De straat waar iedereen het over heeft. De straat waar Regilio Tuur als een maniak met zijn scooter doorheen schijnt te racen. Daar was ik nog nooit geweest. Ik stapte de tram uit en liep, uiteraard de verkeerde kant op. Niet dat het wat deerde, er was zon en er waren een heleboel mooie mensen. Velen wel met een beetje hulp van een drogist of een plastisch chirurg, maar er waren mooie mensen. Ik zocht me rot naar dé P.C. Hooftstraat. Ik zou niet opvallen met mijn rode lippen, nette jurkje en hakken. Alleen de staat van mijn schoenen zouden me kunnen verraden als onechte Oud-Zuiderling. Natuurlijk was ik de verkeerde kant opgelopen. Na ongeveer een half uur vond ik de P.C. Hooftstraat. Zou ik het doen? Zou ik de meest bekende straat van Nederland inlopen?

Ik deed het. Met goede moed en een arrogant hoofd liep ik de straat in. Ik bewonderde de dure auto’s. Verbaasde me over de hoeveelheid Vespa’s. Ze stonden bijna op kleur geselecteerd. Ik walgde van de kledingstijl van de echte Oud-Zuiderlingen. Ze zagen er allemaal hetzelfde uit. Waar waren de mooie jurkjes? De hoge hakken? De maatpakken? De Italiaanse schoenen? De straat leek eindeloos lang. Ik moest nog zo ver. Teruggaan was geen optie. Dan zou ik mezelf verraden. Ik zou de finish halen. De Van Baerlestraat weer opgaan. Nog even.

Het benauwde gevoel was meteen weg toen ik het Vondelpark zag. Ik veegde de zweetdruppels van mijn gezicht en liep het Vondepark in. Gewone mensen. Eindelijk. Mensen. Als in, mensen. Ik keek nog eens achterom. Wat een treurnis. Hier zou ik nooit meer terugkomen. Tenzij ik heel erg rijk en arrogant word. Dan wil ik het wel overwegen.

Foto

Advertenties