De man die alles wist.


Hij stond wat te dralen op het perron. Zijn spijkerbroek was versleten en zijn neus was groot van de hoeveelheid drank die hij in het verleden had gebruikt. Stilletjes en vermoeid zat ik op het bankje, hopend dat de trein snel zou arriveren. Ik wilde hier weg, weg uit dit gehucht.

De man kwam naast me zitten. Vriendelijk begroette hij me. Uit het niets kwam er een woordenwaterval uit zijn mond. Ik weet niet eens meer waar hij over begon. Ik stopte er niet eens een kwartje in, maar toch kwam er een gulden uit. ‘Ik woon hierachter, weet je. Ik krijg geld van de stichting. Ja. Ik moet zo met de trein, maar ik moet nog een kaartje kopen. Heb je al een kaartje gekocht? Ja, anders zat je hier niet. Weet je, ik heb ooit eens van Zandvoort naar Haarlem zwartgereisd. Dat is leuk, he? Dingen doen die niet mogen? Ja, dat is leuk. Wel spannend. Maar dat doe ik nu niet meer.’ Hij bewoog wat heen en weer, zwaaide wat met zijn handen. ‘Ja. Hoe heet je? Oh, dat had ik al gevraagd. Hoe heet je ook alweer?’ Hij wachtte even op mijn antwoord. ‘Ingelise.’ Zei ik rustig. Waarschijnlijk luisterde hij toch niet. Hij praatte steeds door me heen als ik wilde antwoorden op zijn vragen. Al mijn antwoorden vulde hij zelf in. Overwegend goed. ‘Ingelise, oh ja. Ingelise hoe?’ Ik zei hem mijn achternaam. ‘Ja, een De Vries, die ken ik ook wel. Theo, Theo de Vries, hier uit Harderwijk.’ Ik probeerde hem te onderbreken. ‘Ik kom niet…’ ‘Nee, jij komt niet uit Harderwijk. Wat doe je hier eigenlijk? Ja, werken.’ Ik vertelde wat ik hier deed. ‘Waar dan? Ik weet dat je het niet fulltime doet. Je bent immers journalist.’

Mijn mond viel open. ‘Je bent immers journalist.’ Mijn hart ging wat sneller kloppen. Nooit, maar dan ook nooit geloofde ik die verhalen van mensen die dit overkwam. En nu, de scepticus zelf overkwam het. ‘Hoe… Hoe weet je dat ik journalist ben?’ ‘He?’ Hij keek me verbaasd aan. ‘Wat? Ach joh.’ Hij wuifde mijn vraag weg. ‘Ik ga door een dal van diepe duisternis, weet je.’ Een bloemlezing van bijbelteksten volgde. ‘Ik heb net koffie gestolen. Niet zeggen hoor.’ Hij brabbelde wat onverstaanbaars, en vertelde me hoe ik het beste koffie kon stelen. Mijn eerlijke ik heeft dat verbannen uit de herinnering. ‘Koffie is het enige wat me op de been houdt. Ik word nergens meer gelukkig van. Alleen koffie. Ik drink het de hele dag door.’ Ik poogde hem te onderbreken. ‘Moet ik koffie voor je halen?’ Hij keek me verbaasd aan. ‘Wil je dat doen?’ Natuurlijk wilde ik dat doen. Ik was van mijn apropos. Even weg van de man die me in verwarring bracht, was niet weg. Hij gaf me geld. ‘Nee joh, ik haal wel even.’ Hij stond erop dat ik zijn geld aannam.

Ietwat in de war liep ik naar de kiosk. Ik haalde een grote bak koffie en liep naar het perron. Alsof ik zijn informant was met informatie die de wereld kapot zou kunnen maken pakte hij de koffie aan. Ik gaf hem het geld. ‘Nee joh. Hou maar. Voor de moeite.’ Ik stond erop dat hij het aannam. ‘Ik ga die kant op.’ Hij wees naar links. ‘Daar staat een vriend van me.’ Het perron was leeg. Hij praatte door. ‘Maar ik moet nu echt weg. Daar staat een vriend van me.’ Hij wees naar rechts en liep daarheen. Verbaasd bleef ik achter. Hij liep weg. Alsof er nooit wat gebeurd was.

Advertenties

4 gedachten over “De man die alles wist.

  1. Aparte ervaring. Wel mooi dat soort mensen op ’t station. Ik heb ooit gehad dat de man naast me op het bankje me een biertje aanbood en zich daarna ging beklagen over de regering.

    Like

Reacties zijn gesloten.