Goudlokje en de kapper


Het enige wat ik wilde was mijn haar knippen. Gewoon de gespeleten haarpuntjes eraf. Mijn lange blonde lokken iets inkorten in ruil voor een gezonde coupe. Mijn wilde haren temperen, zodat ik er weer ongegeneerd mee in de wind kon zwieren, wapperen en al die andere dingen die de modellen met de extreem glanzende en glimmende haren altijd doen in die idealistische shampooreclames.

Dus ik ging naar de kapper. Laten we één ding vooropstellen: ik heb een gruwelijke hekel aan de kapper. Normaal gesproken krijg je wat terug voor de talloze euro’s die je aan lucht uit lijkt te geven. Stappen, alcohol, je krijgt naast een eventuele alcoholische versnapering een malle avond en af en toe een ridicuul of ongepast voorstel vanwege de mensen om je heen die een alcoholische snack teveel op hebben. Roken, je krijgt er sigaretten voor terug. Die gaan dan wel weer letterlijk in rook op, maar dat terzijde. De kapper niet. In plaats van dat je er iets voor terug krijgt nemen ze iets van je. Mijn haar. Mijn dierbare, lange haar. Zonder pardon, zonder een beetje liefde.

Daarom heb ik zo’n hekel aan de kapper. Maar mijn geliefde Goudlokjes-coupe was al een paar dagen niet meer zo Goudlokje-like. Van uitstel komt afstel, dus ik had besloten te gaan voordat er cogeltjes in mijn haar kwamen wonen, zelfs in de winter. Na wat research besloot ik naar mijn oude vertrouwde kapper te gaan, ze had mijn boosheid, verdriet, angst, mijn emotionele achtbaan altijd weer doorstaan. Enige probleem: zij knipte buiten de stad. En ik had geen fiets aan mijn zijde. Ik ging met de bus. Voor de zekerheid vroeg ik of hij wel naar het Euterpeplein ging. Hij was er van overtuigd. De halte na ’t Stier moest ik hebben. Ik had toen al beter moeten weten, hij wist de haltenaam niet. ’t Stier kwam. ‘Meneer?’ vroeg ik beduusd. ‘Bent u niet in de war met het Neptunesplein?’ Hij staarde voor zich uit, het was blijkbaar zijn denkstand. ‘Ach ja.’ Hij geneerde zich ietwat. En terecht. ‘Je kunt het beste terug gaan en de acht nemen.’ Zuchtend stapte ik uit, terug naar het station. In de bus terug kreeg ik een briljant plan. Ik zou bij de kruisende halte overstappen. Dat zou me schelen. Met gevaar voor eigen leven passeerde ik de scheurende auto’s, zocht het bord op om te kijken hoe erg de schade was. ‘Moest je met de acht?’ vroeg een aardige mevrouw. Ik knikte. ‘Die is net twee minuten weg.’ stampvoetend draaide ik een rondje. ‘Ik geef het op, ik ga wel niet naar die verrekte kapper!’ maar dat kon niet. Ik moest. Ik besloot te voet een kapper te vinden.

Verwilderd en alleen struinde ik door de stad. De kappers die ik tegen kwam waren dertig euro, vijftig euro of spraken alleen Nederlands met zo’n irrita’ Frans accè’. Plots botste ik tegen een kapsalon op die er goedkoop uitzag. Ik ging naar binnen. Me alvast bedenken waar ik het nu weer met de vreemde dame die aan mijn haar knutselde over moest hebben. Dit was de laatste keer dat ik naar de kapper ging. Ooit. De komende drie maanden.

Advertenties

Een Reactie op “Goudlokje en de kapper

Reacties zijn gesloten.