Van Utrecht naar Parijs (18)

Klik hier voor de andere delen.

Ingelise was net bezig Jorik uit te leggen waar ze heen moesten, toen ze achter zich wat hoorden. “Wacht!” riep de parkeerwacht. “Ik breng jullie met de auto.” Een last viel van beider schouders. “Ik ga Sietse bellen.” deelde Jorik mee. Ingelise’s ogen begonnen te twinkelen. “Mag ik bellen?” Jorik keek verbaasd, maar het mocht. Ingelise liet de telefoon overgaan. Ze mocht hem dan niet verslagen hebben, maar ze hadden wel een lift tot de camping. “Jorik!” sprak de andere kant van de lijn. “Hai Siets!” zei Ingelise opgewekt. “Ingelise!” antwoordde hij. Ingelise stapte de auto in. Een rode Clio, hoe toepasselijk. “Blijf waar je bent Siets. We hebben zojuist onze laatste lift gekregen.” Ze trok de deur dicht, terwijl de parkeerwacht de auto startte.

De drie in de rode Clio klikten hun gordel vast. De parkeerwacht startte de auto. “Echt geweldig dat u ons wil brengen!” bedankte Ingelise nogmaals. “Ach ja, kleine moeite. Ik moet wel even zoeken hoor. Ik woon de andere kant op, dus in deze buurt kom ik bijna nooit.” Ingelise stelde dat het niets uitmaakte, als ze er maar kwamen. Het gesprek verliep moeizamer dan toen ze de weg wilden vragen. “Waar komen jullie vandaan?” vroeg de man. “Nederland.” zei Ingelise. “Utrecht. Kent u dat?” De man begon te glimlachen. “Ja! Ik ben ook wel eens in Nederland geweest. In Amsterdam. En… Den Haag?” Het kostte hem wat moeite de naam uit te spreken. “En in… Haglum?” Hij keek Ingelise vragend aan. “Vlakbij Amsterdam.” “Haarlem?” vroeg Ingelise. “Haarlem, ja!” zei hij verheugd. Ingelise wilde vragen wat hem naar Haarlem bracht, maar ze kon de woorden niet meer vinden. “Haarlem is mooi.” Zei ze dus maar als plaatsvervangende reactie. “Bent u wel eens in Utrecht geweest?” Hij was er niet lang geweest, maar wilde er zeker nog eens heen. Hij wilde sowieso wel weer naar Nederland, het was jaren geleden dat hij daar was geweest. “We moeten de bordjes volgen.” Bordjes volgen hadden Jorik en Ingelise de hele dag al gedaan. Volgden ze geen bordjes, dan stonden ze wel met bordjes langs de weg. Bordjes volgen zou geen probleem zijn. Ze reden een rotonde over. “We moeten zo die kant op.” De parkeerwacht wees naar de overkant van de rotonde. Het kleine rotondetje was onoverzichtelijk, en hij vroeg zich hardop af hoe dat het makkelijkst kon. Ze reden een straat in met aan weerszijden geparkeerde auto’s. Op het eerste gezicht zag het buurtje er degelijk uit. Mooie bomen aan de zijkanten, een goed geasfalteerde weg, wie weet wat voor mooie huizen zich achter die bomen bevonden. De parkeerwacht wees naar een auto. “Daar zit een prostituee.” Het tweetal keek verbijsterd. “Daar ook.” Vier keer achter elkaar wees hij een auto aan waar een prostituee zat. “Daar zit er ook één. Ze heeft een klant.” Ingelise wees naar links. “Jep.” zei de man. “Maar dat is eigenlijk een man.” Ingelise keek hem met grote ogen aan. “Jorik?” riep ze naar de achterbank. “Zag je die hoer met die klant? Dat was een travestiet.” De parkeerwacht keek haar van opzij aan. “Travestiet! Ja!” Het Franse woord verschilde blijkbaar weinig met het Nederlandse. De weg vertoonde nog veel meer auto’s met knipperlichten, wat betekende dat er een prostituee zat. “In Utrecht hebben we gewoon woonbootjes… Dat is toch wel comfortabeler, lijkt me.” Ze voelde zich wereldvreemd. Auto’s?

De laatste bocht werd gedraaid. “Hier is het.” zei de parkeerwacht. Ze gaven elkaar een hand, en het tweetal bedankte de parkeerwacht hartelijk. “Geen dank!” zei hij nogmaals. Ze wensten elkaar een fijne avond. Jorik en Ingelise liepen de camping op, terwijl de kleine Clio wegreed. Ze liepen om de slagboom heen. Overmand door euforie keken Jorik en Ingelise elkaar aan. “We zijn er!” Jorik was te moe om nog wat vrolijks te roepen. Ze vielen elkaar in de armen. Blij dat ze het gehaald hadden. “Kom. We gaan ze verrassen. Laten we de tenten zoeken.” Ze sloegen rechtsaf, op de gok. “Wacht.” zei Jorik. “Jaap en Sietse!” Op hun tenen slopen ze terug naar het begin van het paadje. “Hee, lekkere chickies!” riep Ingelise, nog steeds even blij. “Wat? Jullie zijn er!” zei Jaap verbaasd. Ook Sietse keek een beetje vreemd. Jorik en Ingelise vielen de twee jongens in de armen. “Nou, vertel!” begon Jaap. “Waarom duurde het zo lang?” Terwijl ze naar de tent liepen, vertelden ze hun verhaal. Alsof dat in één nacht te vertellen was.

Advertenties

Van Utrecht naar Parijs (17)

Klik hier voor de andere delen.

Zelfverzekerd en met het goede voornemen haar Frans te laten gelden stapte Ingelise op de man af. Met Jorik in het kielzog. Die had al snel afleiding gevonden. Sietse belde. Gefrustreerd dat hij zich ermee moest bemoeien, vroeg Ingelise de weg aan de parkeerwacht. Ze wilde het zelf doen. “We moeten naar camping Bois Du Boulogne. Hoe komen we daar het makkelijkst?” vroeg ze in haar beste Frans. “Bois Du Boulogne?” De parkeerwacht begon te lachen. “Nou, eh, met de bus is het een kwartiertje.” Ingelise keek de man met een scheef gezicht aan. “Nou ja… Dat is dus het probleem, de bus rijdt niet meer.” Het Frans ging haar bizar makkelijk af. Ondertussen discussieerden Jorik en Sietse in het Nederlands wat ze het beste konden doen. “En lopend?” vroeg Ingelise aan de parkeerwacht. Hij begon nog harder te lachen. “Je moet niet gaan lopen. Dat duurt minstens een half uur. Na tienen moet je hier niet meer gaan lopen. Hoe laat is het?” Ingelise keek op haar telefoon. “Bijna één uur.” “Je moet niet meer gaan lopen. Veel te gevaarlijk. Er zitten hier heel veel prostituees. Ook als jongen moet je hier niet meer gaan lopen. En helemaal niet jullie met z’n tweeën.” De man keek haar aan. “Jorik, we zitten in de rosse buurt van Parijs!” riep Ingelise, met een sprankeltje blijheid van haar gelijk. “Ehm, Siets, we zitten in de rosse buurt van Parijs.” meldde Jorik door de telefoon. “Met wie belt hij?” vroeg de parkeerwacht. “Oh, met een vriend van ons. Die zit al op de camping.” “Kan hij jullie niet ophalen ofzo?” Ingelise keek de man beduusd aan. “Ze hebben geen kaart van Parijs. Bovendien heeft die knul geen rijbewijs.” Hij claimde altijd wel te kunnen rijden, maar in een busje van de Universiteit Utrecht door Parijs rijden zonder kaart en rijbewijs leek haar geen goed plan. Die keer dat ze hem op de parkeerplaats had zien scheuren in de Clio, de Ferrari in de volksmond, die ze met vier vrienden hadden gekocht, had al genoeg gezegd. De Clio in kwestie was de laatste paar weken ook niet meer van zijn plek geweest. Gek genoeg was het oude, geliefde autootje kapot. Bovendien wist ze zeker dat het bier al rijkelijk gevloeid had. “Nope. Geen optie. Ik denk dat we moeten lopen.” De man keek haar nogmaals aan. “Oké, je moet het zelf weten.” “Weet u dan de weg?” Ze durfde het bijna niet te vragen. “Wacht even.” beviel hij, en hij liep naar binnen.

“Jaap en Sietse komen ons tegemoet lopen.” vertelde Jorik. Er zat weinig anders op. Nu moesten ze de weg nog vinden. Ze liepen de parkeerwacht achterna. Het restaurantje zat misschien niet op een heel idyllische locatie, maar het interieur maakte een boel goed. Het restaurant serveerde veel vis, aan de visresten buiten te zien. De buitenkeuken werd net opgeruimd. Het rook als de viskraam die na een dag in de brandende zon zijn biezen had gepakt, maar het zag er des te lekkerder uit. Ingelise was de frietjes en de burgers in Lille allang vergeten, en kreeg weliswaar weer trek. “Dat ziet er lekker uit.” zei ze tegen de parkeerwacht, die terugkwam met een andere man. “Vast.” antwoordde hij. “Ik ben alleen parkeerwacht.” Hij legde de situatie uit aan de andere man, die de weg waarschijnlijk wel wist. “Wacht even, wacht even.” zei de man, terwijl hij weer naar binnen liep. De haast en wispelturigheid van de Fransen was bijna normaal aan het worden. “Ik kan geen kaart vinden.” zei hij toen hij terugkwam. “Oké, luister. Je gaat die straat in.” Hij wees rechtdoor. “Ah. Daar kwamen we vandaan…” mompelde Ingelise. De man vervolgde zijn verhaal. “Dan ga je rechtdoor, alsmaar rechtdoor. Dan kom je bij de Seine. Je steekt de Seine over, en dan ga je links. Snap je? Links.” Wonderbaarlijk genoeg snapte Ingelise elk woord van de man. “Oké. Dank u wel! Onze vrienden komen ons tegemoet lopen, dus dan moet het goed komen.” De mannen smoesden nog wat, terwijl Jorik en Ingelise naar het stoplicht liepen.

Van Utrecht naar Parijs (16)

Klik hier voor de andere delen.

De lucht was inktzwart, op een paar lichtgevende stipjes na. Het tweetal bevond zich in een park. Het park zelf was niet bepaald helder verlicht. In het parkje huppelde een colonne konijntjes. Hoe toepasselijk voor de buurt. “Ik wil een konijntje aaien.” zei Ingelise, terwijl ze op haar tenen naar een konijntje toeliep. Haar eigen konijn was na elf jaar overleden. Gek genoeg vlak voor kerst, en dat kwamen haar ouders koelbloedig melden. Ze moest nog één stap zetten toen het konijntje plots weg hopte. Ze was gesnapt, een konijntje aaien zat er vandaag niet meer in. Alhoewel, het liep tegen enen, dus theoretisch gezien was de dag net begonnen. Jorik en Ingelise liepen naar de rand van het park. Het park bleek temidden van een rotonde te liggen. Een minstens vierbaans rotonde. Met het vermoeden dat dit dan niet de enige uitgang zou zijn, liepen de twee terug het metrostation in. “De muren van de gang zijn roze.” constateerde Ingelise. “Toepasselijk voor de buurt, als we die tramjongen mogen geloven.” Het enige waar Jorik zich nog op focuste was de juiste uitgang en de camping.

Het duo vond de juiste uitgang. Ze stonden op een stoep, aan de rand van de immense rotonde. “Goed, en hoe weten we welke kant we op moeten?” vroeg Ingelise. Jorik dacht even na. “We vragen het aan die meneer.” Hij wees een meneer in een net pak aan. De man leek gehaast. Zijn jas hing los en zijn sjaal was snel omgedaan. Zijn blik stond op oneindig. Hij leek zo snel mogelijk weg te willen uit deze buurt. Snel vroeg Ingelise hem naar camping Bois Du Boulogne, maar dat wist de man niet. “Volgens mij zitten we écht in de rosse buurt van Parijs. De tippelzones. Amsterdam voor gevorderden.” merkte Ingelise op. “Nee joh.” Jorik drukte die gedachte de kop in. “Je hebt je laten opfokken door die jongen in de tram. Een dronken jongen uit Parijs die ons de boom in wilde hebben.” Ingelise bleef twijfelen. Het was net zo’n figuur die in zijn Mercedes, BMW of dure Volvo over het zandpaadje kon rijden. Vier vrienden van het tweetal woonden aan de Utrechtse Vecht, tegenover de woonbootjes die de Utrechtse prostituees zogenaamd legaal huisvest. Het inschatten van klanten had voor uren vertier gezorgd. Tot middernacht. Dan kwamen de écht vieze mannen, en was de Marnixbrug over fietsen ineens een stuk minder leuk. De man die ze zojuist hadden gesproken behoorde tot de categorie ‘Saai-huwelijk-dus-overwerken’. Jorik en Ingelise liepen verder. Stoplicht na stoplicht, op zoek naar iemand die ze kon helpen. Twee politieagenten stonden auto’s te bekeuren. Jorik en Ingelise vroegen zich af of de Parijse agenten niets beters te doen hadden om één uur ’s nachts in de rosse buurt van Parijs. Ze eindigden achter vijf dames met koffers. “We kunnen het hen vragen.” opperde Jorik. “Mwah. Ze hebben koffers. Het zijn dus toeristen. Bovendien bevinden ze zich in een zodanig melige toestand dat ik betwijfel of ze hun eigen hotel wel kunnen vinden.” Jorik moest Ingelise gelijk geven, dus staken ze met de vrouwen over. Het duo vond Parijs nog bizar levendig voor dit tijdstip, tot ze erachter kwamen dat Utrecht om één uur ’s nachts op een donderdagavond levendiger was dan dit. Buiten het feit dat ze in een achterbuurt zaten en Parijs veel groter was. “We moeten iets bedenken.” Ingelise was het met Jorik eens. Nog één stoplicht en ze waren de halve rotonde over gelopen. “Ik weet wat.” zei Ingelise. Ze begon de straat over te steken terwijl het stoplicht op groen sprong. Halverwege de rotonde bevond zich een restaurantje. “We vragen het hem. Hij werkt hier, dus hij woont hier ergens in de buurt.” Ze wees naar een parkeerwacht. Hij moest de weg wel weten.

Van Utrecht naar Parijs (15)

Klik hier voor de andere delen.

De metro naderde Charles de Gaulle. Overstappen leek zoveel makkelijker dan het was. De bordjes met de gele lijn en ‘La Défense’ volgen. Het tweetal stapte de metro uit en liep naar boven, de gele bordjes volgend. Het leek eeuwen te duren voor er eindelijk nog een bordje in zicht kwam. Klakkeloos volgden ze nog steeds bordjes. Tot er poortjes in zicht kwamen. Voor de poortjes bleven Jorik en Ingelise stilstaan. “Moeten we daardoor?” vroeg Ingelise. “Ik denk het.” mijmerde Jorik. Ondertussen klom een man in een net pak over het poortje heen. Over het algemeen is dat niet zo’n klus, maar aangezien de ruimte tussen het poortje en het plafond niet meer dan een meter betrof, zag het er met zijn nette pak toch relatief maf uit. Parijs rond half één, niets is te gek. “Ik ga het vragen.” Ingelise liep naar een hippe jongen met een grote koptelefoon en een pet. Hij sprak vast Engels. In het Frans vroeg ze waar de gele metrorichting La Défense was. Hij wees richting de poortjes, en zei dat ze klakkeloos de bordjes moesten volgen. Op de gok ging het duo de poortjes door, in de hoop dat ze de poortjes nog geen tien meter verderop weer inkwamen. Anders zouden ze dezelfde taferelen moeten uithalen als de Parijzenaar in het nette pak. Iets wat ze beiden niet echt zagen zitten. Ze renden naar de volgende poortjes, stopten hun kaartjes in de automaat en kwamen het station weer in. Wederom volgden ze de bordjes en kwamen uit bij de juiste metro. Opgelucht stapten ze in de metro. Ietwat gespannen keek Ingelise naar het plaatje waar alle haltes opstonden, en hield ze in de gaten wat de volgende halte was. Bij de volgende halte concludeerde ze dat ze in de juiste metro zaten, en de juiste kant opgingen.

Vermoeid van de reis converseerden Jorik en Ingelise wat. Het was wat, het was niet veel. Een oerdegelijk uitziende jongen met donker, ietwat rossig haar observeerde het tweetal. “Mag ik jullie wat vragen?” vroeg hij in het Engels. “Natuurlijk.” antwoordde Ingelise zo beleefd mogelijk. De jongen keek ze even aan. “Komen jullie uit Zweden?” Dat ze blond haar en blauwe ogen had wist ze, maar verder wees niets erop dat het tweetal uit Zweden zou komen. Zeker Jorik’s donkere bos haar niet. Hij klaagde al de hele reis over dat hij naar de kapper moest. “Nee. Uit Nederland.” zei het tweetal beleefd. “Oh.” De jongen keek een beetje beduusd. “Het klonk alsof jullie uit Zweden kwamen. Zoals jullie nee zeggen, het is net Zweeds.” Ingelise keek de jongen bedenkelijk aan. “Of Deens. Of Duits. Klinkt allemaal hetzelfde voor jullie.” Ze converseerden nog wat over de taalbarrière. De jongen vertelde dat hij een paar maanden in Zweden had gewoond, en zo de ‘Nee’ dacht te herkennen. Maar Nederland, daar wilde hij ook wel heen. “Waar gaan jullie eigenlijk heen?” vroeg de jongen, oprecht geïnteresseerd. Terwijl Ingelise ‘camping Bois Du Boulogne’ probeerde uit te spreken, haalde Jorik het foldertje met het adres tevoorschijn en liet deze aan de jongen zien. “Camping Bois Du Boulogne?” riep de jongen. Hij spreidde zijn armen wijd uit en begon te lachen. De nette zakenman naast hem genoot van de conversatie. “Nee, dat meen je niet!” Jorik en Ingelise keken de nep-Zweed nogmaals bedenkelijk aan. “Dat is de rosse buurt van Parijs. Daar zitten alle hoeren en homo’s. Wij zeggen niet ‘screw you’, maar wij zeggen ‘Ga toch lekker naar Bois Du Boulogne.” De jongen lachte nog steeds. Jorik en Ingelise keken elkaar aan. Dat hadden ze mooi voor elkaar. Midden in de nacht op weg naar de tippelzones van Parijs. “Kunnen we die pretty boys die mee zijn lekker bang maken.” zei Ingelise tegen Jorik. Ze vertelden de jongen dat ze de pretty boys die mee waren bang wilden maken. “Oh, niet alleen bang maken.” zei de jongen. “Ze moeten ook echt niet over straat gaan daar.” De jongen genoot nog even na van zijn onthulling. “Jij komt er ook regelmatig?” vroeg Ingelise brutaal. De jongen klapte dicht en bekende beschaamd dat hij er ook wel eens heenging. Porte Maillot kwam in zicht. “Wij moeten er uit. Goeie reis nog! Kom op bezoek in Nederland!” riep Ingelise de jongen na terwijl het tweetal uitstapte. “Wij hebben ook hoeren!” wilde ze nog roepen, maar de metrodeuren gingen dicht en de metro reed verder. “Nou, daar zitten we dan mooi mee.” zei Ingelise terwijl ze naar de uitgang liepen. “Ach joh.” antwoordde Jorik. “Laat je niet gek maken door zo’n beschonken Parijzenaar.” Ingelise moest lachen. “Maar we gaan wel de jongens gek maken.” Daar stemde Jorik mee in terwijl ze de trappen van het metrostation opliepen.

Van Utrecht naar Parijs (14)

Klik hier voor de andere delen.

In euforische stemming, na bijna zestien uur waren ze in Parijs, ging het tweetal op zoek naar de metro om daar uit te zoeken welke metro ze moesten hebben richting de camping. Het was inmiddels half twaalf, dus het laatste pendelbusje naar de camping was al vertrokken. Maar dat was van latere zorg. Jorik en Ingelise kochten een metrokaartje, en kwamen tot de conclusie dat ze de paarse metrolijn richting Charles de Gaulle moesten hebben, en daar overstappen op de gele metrolijn richting La Défense. Ze vonden de paarse metrolijn die richting Charles de Gaulle zou gaan. Voor de zekerheid vroegen ze het na aan één van de ongure types op het perron. Volgens de beste man ging de metro inderdaad naar Charles de Gaulle, en ze stapten in. De overvolle metro begon te rijden. “Het is maar één halte.” telde Ingelise. “En als we de verkeerde kant op gaan, nemen we de metro weer terug.” Het duurde ellendig lang voordat de volgende halte kwam. Naar Ingelise’s weten zat er tussen de meeste haltes maar een paar minuten. Eindelijk kwam de halte in zicht. Jorik en Ingelise stapten uit. Het metrostation zag er niet uit alsof het vlakbij een groot vliegveld zat. “Goed…” verzuchtte Jorik. “La Place Du Stade De Paris” las Ingelise op het bord. “We moeten terug.” Jorik en Ingelise keken op de borden waarop hoorde te staan wanneer de volgende metro vertrok. De borden waren angstvallig leeg. Ze besloten naar beneden te lopen, en stonden samen met een netgeklede man in de lift. “Paris? Paris?” vroeg hij. Op dat moment ging Ingelise’s telefoon. Ingelise meldde in het Nederlands aan Jorik dat het Simone was die belde en nam de telefoon op. De man hoorde dat ze in het Nederlands converseerden, en praatte verder tegen Jorik in het gebrekkig Vlaams. Terwijl Ingelise Simone vertelde waar ze zaten, ergens in het hoogste noorden van Parijs, probeerde Jorik het metrostation uit te komen. Het kaartje deed het niet. Ze waren buiten de zone beland.Vast in een metrostation, ze konden geen kant op. De man uit de lift kon ook geen kant op. Hij wenkte een jongeman met een abonnement die het drietal uit het station haalde. Ingelise belde nog steeds met Simone, en vroeg of ze opgehaald konden worden. Er reden immers geen metro’s meer. “We kunnen jullie niet ophalen.” zei Simone aan de andere kant van de lijn, veilig op de camping. “De organisatie heeft geen kaart van Parijs.” Het bleef even stil. “Wat?!” vroeg Ingelise. “De organisatie weet al máánden dat we naar Parijs gaan, maar neemt geen kaart mee? Welke idioot neemt er geen gedetailleerde kaart van Parijs mee als je weet dat het risico bestaat dat er mensen midden in de nacht stranden in de achterbuurten van Parijs?” Ondertussen leidde de man het tweetal naar het treinstation, aan de andere kant van de poortjes. Ingelise trok Jorik terug. “Als we nu naar binnen gaan, komen we er niet meer uit.” Jorik stribbelde tegen, maar voor ze naar binnen konden sloten de poortjes weer. Ingelise meldde Simone dat ze nog wel belden, en hing op. “Goed…”

Een paar meter verder stond een kaartjesautomaat. Er zat niets anders op dan een kaartje kopen. Het duo was door al het kleingeld heen, dus besloot te pinnen. Toen de transactie bijna was voltooid, bleken alleen creditcards geaccepteerd te worden. Geen van tweeën had een creditcard. De moed zakte in de schoenen. Ingelise had zin om te huilen, maar besloot dat dat ook geen zoden aan de dijk zou zetten. Ze slaakte een diepe zucht, en constateerde ineens een groot raam met licht. Erboven hing een verlicht bord waarop duidelijk werd gemaakt dat er nachtportieren waren. “Kom.” Ingelise liep naar het hokje toe. “We vragen het hen.”

In het hok zaten twee mannen. De man met de baard kwam naar het raam toe. Ze waren ogenschijnlijk aan het genieten van een goede kop koffie en voerden een goed gesprek. Alles was goed, tot Ingelise kwam. In gebrekkig Frans en goed Engels legde ze de situatie uit. De man was uiterst vriendelijk en legde het duo uit dat ze op spoor 2b moesten zijn. Ingelise vertelde nogmaals dat ze het stationnetje niet in konden. De man zei dat hij het poortje open zou doen voor hen, maar dat ze dan in Parijs een kaartje moesten kopen. Ingelise stemde ermee in, en ze renden naar de poortjes. Het poortje ging open, en ze renden naar 2b. De trein reed nog. Nog een paar minuten. Opgefokt stond Ingelise naast een immer rustige Jorik op het perron. “Nou, ik ga ze niet meer bellen ook. We kunnen het prima zelf.” De trein kwam aanrijden. Dit keer konden ze wel blijven zitten tot Charles de Gaulle.

Van Utrecht naar Parijs (13)

Klik hier voor de andere delen.

Het begon inmiddels te schemeren, en na vier uur in Lille was het genoeg. Jorik belde Mariëlle op. “Mariëlle, we zitten vast in Lille.” Mariëlle vroeg of er geen mogelijkheid was tot treinen. Ondertussen priegelde Ingelise wat met den automaat die niet op haar vingers wilde reageren. Jorik probeerde Mariëlle zo ver te krijgen het duo op te halen voor het te donker was en de laatste trein was vertrokken. “Hoeveel kost de trein?” vroeg Mariëlle aan de andere kant van de lijn. “€87,- voor twee kaartjes.” mompelde Ingelise ietwat geshockeerd. “ Zevenentachtig euro, hoor ik net.” Mariëlle zei dat ze nog wat moesten proberen, aangezien Lille nog zo’n tweehonderd kilometer was. Jorik hing op. “Er zit niets anders op dan treinen.” Ze gingen naar het loket, om zeker te weten dat het goed zou gaan met het kaartje. Het personeel was vriendelijk. De enige trein die nog naar Parijs zou gaan was de TGV van negen over tien. Het duo kocht een kaartje, en zocht een warme plek om het laatste uur door te komen.

De wachtkamer zat vol typisch wachtende mensen. En nog een gek oud mannetje die iedereen krantjes uitdeelde. Zelf las hij ook alle krantjes, van voor naar achter. “Kijk.” Jorik wees naar de muur achter Ingelise. “Kun je jezelf meten.” Dat liet Ingelise zich geen twee keer zeggen. “Ik trek er anderhalve centimeter van mijn schoenen af, oké?” Jorik vond het allemaal prima. “Yes!” schreeuwde Ingelise door de wachtkamer. “Eén zesenzeventig, ha! Ik wist het! Zie je wel dat ik het altijd goed invul!” Jorik keek verbaasd, maar vroeg verder geen uitleg. “Zullen we een spelletje doen?” stelde hij voor. Ingelise wilde pesten. Jorik niet, maar alle andere spelletjes die ze konden verzinnen moesten met drie of meer personen. Het wachten duurde korter dan verwachten. Zo’n twintig minuten voor de trein zou vertrekken stond hij klaar op het perron. Jorik en Ingelise zochten hun plaats, en vleide zich neer in de stoelen. Jorik pakte zijn iPod. “Het is niet zo sociaal, maar… Vind je het erg?” Integendeel, en Ingelise pakte ook haar iPod. Slapen zou er niet van komen, dus ze besloot ouderwets te gaan patiencen, al dan wel digitaal. Naast haar zakte Jorik steeds verder weg. Hij had precies een uur en drieëntwintig minuten om te gaan slapen. Af en toe schrok hij wakker. Ingelise luisterde naar gitaarmuziek van Nederlandse bodem, en was trots dat Nederland zoiets voort kon brengen. Er ging niets boven Nederland. Goede muziek, een treinstelsel dat werkte, een betaalbaar treinstelsel zelfs. Ze rekende terug dat dit ongeveer een ritje Rotterdam – Groningen was, en dat dat zonder korting net zo duur was. Ze was al minder boos op de TGV.

Arras raasde na een korte stop weer voorbij, en Paris Nord kwam in zicht. Jorik en Ingelise converseerden wat. De Franse jongen schuin tegenover het duo keek ze aan. In het Engels vroeg hij of ze uit Nederland kwamen. De twee bevestigden dat. “Echt?” hij kreeg pretlichtjes in zijn ogen. “Ik ga volgend jaar naar Nederland. Voor een jaar. Naar Utrecht.” Nu was het de beurt van Jorik en Ingelise om verbaasd te zijn. “Utrecht? Daar komen wij vandaan!” Er volgde nog een kort gesprekje in het Engels. In gebrekkig Nederlands nam hij afscheid. “Tot… Ziens?” “Ja.” zei Ingelise. “Kom ons opzoeken als je in Utrecht bent!” Dat zou hij doen. Jorik en Ingelise stapten ook uit. “Jorik…” Ze keken elkaar aan. “We zijn in Parijs!”

Van Utrecht naar Parijs (12)

Klik hier voor de andere delen.

Na de maaltijd moest er een plan der campagne gemaakt worden. “In het ergste geval kunnen we met de trein.” De trein was nog niet ter sprake geweest. Het sloeg in als een bom. De trein. Ergens was het beider eer te na om met de trein op de bestemming van een liftwedstrijd aan te komen. Aan de andere kant, de anderen zouden ook de metro gebruiken eenmaal in Parijs. En het pendelbusje. Tegen de tijd dat de avonturiers aan zouden komen, zou dat pendelbusje niet meer rijden, en de metro’s misschien ook niet meer. “Maar alleen in het ergste geval.” Ze liepen naar buiten. “Daar staan militairen.” wees Ingelise aan. “Zullen we ze de weg vragen?” Jorik zag weinig andere opties, dus Ingelise stapte op de militairen af. In gebrekkig Frans legde Ingelise wederom het verhaal uit, en vroeg of de jongens enig idee hadden waar ze heen konden om uit Lille te komen. De militairen zeiden dat ze hier weg moesten zijn voor het donker was, maar ze zouden de politieman om hulp vragen. De politieman was bezig een zwerver onder bedwang te houden, dus Jorik en Ingelise bleven gewillig wachten. Toen de zwerver met de noorderzon was vertrokken, kwam hij naar ze toe. De militairen legden het verhaal uit. “Jullie gaan hier links, dan rechtdoor, dan kom je bij een oprit.” Na een lang gesprek waar de taalbarrière hen in de weg had gestaan, besloot het tweetal het maar te doen, ondanks dat ze daar nog geen uur geleden ook hadden gestaan. Ze liepen de richting van de politieagent uit. Langs dure hotels en vergaderzalen voor rijke zakelui. Na een paar meter doemde er een kaart op. Jorik en Ingelise tuurden naar de kaar. Nog voor ze konden thuisbrengen waar ze zich bevonden, kwam er een hotelmedewerker naar hen toe. “Waar kan ik jullie mee helpen?” vroeg hij het duo. Ingelise legde weer uit dat ze aan het liften waren en dat ze hier weg moesten. “He?” De man keek verbaasd. “Maar liften is verboden hier.” De politieman had het hen niet verboden, maar blijkbaar zat er een luchtje aan. “Jullie moeten met de metro naar Wazemmes. Daar staan allemaal taxi’s. Die brengen je naar een tankstation buiten Lille. Kun je vanaf daar verder liften.” Veel keus was er niet, dus het duo stapte de metro in.

Na een kort ritje kwamen ze aan op metrostation Wazemmes. Ze liepen naar boven. Het deed Ingelise een beetje denken aan die keer dat ze naar Warwick Aveneu gingen. Gewoon, een willekeurig station waar een liedje over was geschreven. Toen ze boven kwamen bleek er niets te beleven. Alleen was dit niet zo’n chique buurt als Warwick Aveneu. Meer het tegenovergestelde. Een groep verwaarloosde jongeren keek de onverhoopte toeristjes bedreigend aan. “Oké.” zei Ingelise. “Hier moeten we weg voor het donker is.” Jorik stemde ermee in, maar wilde toch nog even verder kijken. Ze liepen een enigszins drukke kant op. “We zijn echt in de achterbuurt van Lille beland.” Een jonge vrouw met een mantelpakje liep voor het tweetal. Ingelise besloot haar de weg te vragen. Ze legde uit dat rechts een boel verkeer was, en dat ze niet naar links moesten en moesten oppassen in deze buurt. Er zat niets anders op dan de straat vol Turkse, Griekse en Aziatische winkeltjes doorlopen, op hoop van zegen. Hier en daar zat een kroegje, waar de sfeer zowel gemoedelijk als bedreigend kon worden opgevat. Een onverzorgde man met een grijze baard, grijs haar en vieze kleren kwam op Jorik af. “Une rose pour la belle dame!” Hij brabbelde nog wat en zwaaide met zijn rozen in alle kleuren van de regenboog. Iedere roos bezat minstens acht kleur, willekeurig over de bloem verdeeld. “Ach, Jorik.” zei Ingelise terwijl ze haar lach probeerde te onderdrukken. “Koop je niet eens een roos voor me?” Jorik keek haar aan. “Zag je hoe die man uit zijn ogen keek?” Ingelise moest lachen. “Het was een grapje.”

Ze waren de straat door en kwamen bij een rotonde. Een klein tankstationnetje bevond zich links van de rotonde. Ingelise besloot te vragen of ze mee konden rijden met iemand. Niemand ging de snelweg op, en een mogelijkheid op de snelweg te komen zonder lift was zo’n twee kilometer lopen, zo vernamen ze van een blonde moeder. Dat moest ongeveer bij station Lille Europe zijn geweest. Het duo besloot de metro terug te nemen. Taxi’s had Wazemmes niet. Enge mensen in overvloed. In de buurt van de militairen voelden ze zich toch veiliger.